Ga en vermenigvuldig u!

De meesten onder ons hebben zich voortgeplant. En als het nog niet gebeurd is, wordt er druk gepland om het alsnog te doen. Een zéér natuurlijk gegeven. Alhoewel zo’n slordige zeven en een half miljard doen vermoeden dat de motivatie om uitsterving te voorkomen wel héél hoog ligt. Ons instinct legt het causaal verband. Het is wetenschappelijk bewezen dat mannen en vrouwen onbewust onze aardkloot willen blijven voorzien van sterk nageslacht.

Op één of andere manier ben ik de dans ontsprongen. Niet dat ik nooit aan kids gedacht heb. Zeker. Het is er gewoon nooit van gekomen. Niet meer, niet minder.

Het mensenras paart en vermenigvuldigt er op los. Het is zelden dat koppels stilstaan bij de gevolgen. Mondiaal of persoonlijk. Bij dat tweede wilde ik even reflecteren…

Onlangs hoorde ik een jonge vader op straat brullen dat hij geen leven had. Vanuit de auto werd luid protest aangetekend door een twee-jarige. Hij wilde er om één of andere reden niet uit. De man was getrest. Een niet op zich staand feit. Toch blijkt de natuurlijke liefde voor de nazaten boven alles uit te stijgen. Eender welke ouder, zonder uitzondering, beweert dat een natte kus en een omhelzing van de kleine armpjes van hun telg, alles goed maakt. Fracties van groot, maar tevens kort geluk, in het leven van ouders. Papa’s en mama’s spreken zichzelf zo moed in, vermoed ik.

Vaak heeft opvoeden meer weg van worstelen en mieteren om het grut in’t gareel te krijgen in de vurige hoop er respectabele volwassenen van te krijgen. Tegen de tijd dat men denkt het zo’n beetje voor mekaar te hebben met opvoeden, begint de puberteit. Alle pedagogische inpsanningen smelten als sneeuw voor de zon. Zo lijkt het toch. Als dank voor alle bloed, zweet en tranen laat het kind koudweg weten dat het op eigen benen wil staan. En wel zo snel mogelijk. Statistieken melden dat dit het gemiddelde doel is van de doorsnee tiener.
Misschien maar goed… want stel je voor dat ze wilde blijven…

Picknicken

Bij ons om de hoek in het stadspark, was er onlangs een clubje jonge mama’s met volgeladen kinderwagens. Ze waren een ‘poging tot’ picknicken aan’t doen. Gepakt en gezakt hadden ze ergens tussen de dekentjes, het proviand, de luiers, de talkpoeder, de fruitpapjes, de tutters, het speelgoed, elk een kind mee. Het hele event was ’m overduidelijk om de mama’s te doen. Hun lichaamstaal ademde nood aan ontspanning. Na veel gehijs en gesleur waren de kinderwagens ontdaan van bagage en babies. Het gros van het grut was tegen deze tijd keihard aan’t brullen.

Terwijl ik het groepje zo zat te observeren raakte ik steeds meer gebiologeerd.
Goed en wel gezeten en geïnstalleerd werd het pas echt interessant. één moest aan de borst, een ander had blijkbaar nood aan een fruitpapje, terwijl nog een ander van de gelegenheid gebruik maakte om z’n broek vol te poepen.
De moeders zagen bleek en vermoeid. Afijn, na zo’n drie kwartier  was er nog geen moment van rust geweest. Na de voedselverdeling leek er even iets van sereniteit te ontstaan. Maar al gauw begon de één na de ander te kotsen en met rode koppetjes te drukken.
Met engelengeduld werd de troep opgeruimd en even later lagen de wondertjes fris en pront op het picknickdekentje. Hè Hè…eindelijk.

De moeders raakten druk in gesprek, waarbij telkens een andere mama het woord nam als er één even naar adem hapte. Ik ving flarden op. Het ging over de kids. De kleintjes maakten van de gelegenheid gebruik om te ontsnappen. Razendsnel. Maar onder het alziend oog van de mama’s werden ze telkens net op tijd bij de luier gegrepen. Een eindeloos herhalend scenario. Ze zaten of lagen amper terug op het dekentje, of er kroop er wel weer één weg.

Het lieflijk tafereel was geen lang leven beschoren. De één na de ander begon andermaal keihard te brullen. Ze waren moe. Tijd voor hun dutje. Het groepje van vier veerde recht en begon naarstig de hele zooi weer in te laden. Tijd om naar huis te gaan, om aldaar naar ik veronderstel, het hele scenario nog een aantal keren te herhalen.

Hadden ze maar een condoom moeten gebruiken…

Plastische vergissing

Een beetje zenuwachtig zat Inge aan het randje van haar jas te friemelen. Haar knieën stijf tegen elkaar. Ze had het gevoel dat haar hart uit haar lijf bonkte. Dit moment had zo vaak beleefd in haar geest. Keer op keer had ze de vraag hardop herhaald. Het had jaren geduurd eer ze de moed had kunnen verzamelen voor deze stap. Nu was het zo ver.

“U wilt dus een lip-correctie” galmde het in de verte. De rustige stem van de plastisch chirurg maakte dat ze zich nog onzekerder voelde. “Euh, ja graag” stamelde ze, terwijl het bloed naar haar kaken steeg. In haar oren klonk het of ze een kilo vis bestelde bij de plaatselijke visboer in plaats van een plastische ingreep. Ze verwenste zichzelf en haar onzekerheid. “U kiest dus voor een permanente correctie” vervolgde de dokter flegmatisch. “De behandeling zal ongeveer vijftien minuten duren. We verdoven plaatselijk, dus u kunt daarna meteen naar huis. Morgen mag u direct weer aan het werk als u dat wenst. Binnen een paar dagen zul u er niets meer van merken. Loopt u maar met mij mee, u mag zich vast klaarmaken. Ik ben zo bij u terug.

Toen ze even later met vaste tred de dokter hoorde naderen, zonk de moed in haar schoenen. Ze kneep hard in de rand van de stoelen wachtte. Wat voelde ze zich onnozel. Maar goed, ze wilde dit zo graag. Ze moest er dan maar doorheen. Toen de dokter binnenkwam, bleef hij een ogenblik staan. In een fractie van seconden gleden z’n ogen over haar naakte lichaam. Met licht ironische glimlach merkte hij op: “het is niet nodig u volledig te ontkleden, mevrouw. We gaan enkel uw lippen behandelen. Of had u nog andere zaken voorzien?” Inge wenste op dat moment in de grond kon te kunnen zakken. Vooral toen ze de trek om zijn mond zag. In de war schoot ze razendsnel haar slipje weer aan. Ze durfde hem niet aan te kijken. Het drong pijnlijk tot haar door dat hij andere lippen voor ogen had…

Dode levenden of levende doden?

Af en toe viel een natte kruimel op z’n buik. Hij merkte het niet. Onverstoorbaar bleef hij doorpraten. Blijkbaar mocht de hele wereld deelgenoot zijn van de gemalen brei in z’n mond. Nootjes. Hij genoot ervan. Telkens eer de inhoud verzwolgen was, vulde hij bij. Z’n dikke lippen krulden zich dan in een teutje, terwijl z’n vlezige vingers maar bleven graaien in het kleine schaaltje. Tot er enkel nog wat zout lag. En zelfs dat likte hij van z’n vingers. Even pauzeerde hij om met grote slokken z’n bierglas te ledigen. Z’n uitpuilende ogen staarden dan in het niets, terwijl het biervocht langzaam een weg zocht naar een veel te dikke buik die over de stoel bijna tot op z’n knieën hing.

Uit beleefdheid deed ik of het me niet stoorde. Ik hoorde mezelf hardop zeggen dat hij beter meer zou inzitten met z’n leven…
Had ik dit nu echt gezegd? Even twijfelde ik. Gunst nee, ik wist het op tijd weg te slikken.
Het was de combinatie van wat hij vertelde en z’n conditie die tegenstrijdige gevoelens bij me wakker maakte. Enerzijds vond ik deze Bourgondiër wel interessant. Hij had een boeiend leven gehad. Veel gereisd, veel gezien, en nog veel meer meegemaakt. Nu was hij op een punt gekomen dat z’n gezondheid hem in de steek liet. Z’n eerst zo rijk gevulde leven had zich gereduceerd tot een sombere driehoek die zich afspeelde tussen thuis, de kroeg en het ziekenhuis. Af en toe wisselde dit zich af met een bezoek aan een plaatselijk restaurant. Die waren naar zijn mening schaars in deze streek. Niet te vergelijken met de sterrenzaken die hij over heel de wereld bezocht had. Hij moest het nu doen met wat de pot van een provinciestadje schaft.

De laatste nootjes spuwend, vertelde hij me over z’n dood. Dat hij alles al geregeld had. Vanaf het moment dat de dokters hem zouden vertellen dat het niet meer gaat, zou hij een groot feest organiseren. Een soort begrafenis waar je levend bij bent . Al z’n vrienden zouden dan komen. Na afloop zal de dokter hem de genade-spuit zetten. Hij vond het belangrijk getuige te zijn van z’n eigen uitvaart. Z’n uitpuilende ogen lichtten even op bij de gedachte.

Alle papieren lagen klaar. Zijn besluit stond vast: voor genot moet je een prijs betalen. Dood gaan we toch allemaal. Dus, was hij van mening dat je dan beter tot de laatste snik kon genieten. Vreten en zuipen.
Ik moest even slikken en staarde wezenloos naar m’n glas water. Ik was net bezig geweest met het plannen van m’n leven. Een paar maanden de gezondheidsgoeroe uithangen, 10 kg er af en klinken op het leven. De man aan het tafeltje naast me had gekozen voor iets anders: grenzeloos genot en de dood. Of hebben die twee niets met elkaar uit te staan?
Vertel jij het me….

Oud word je vanzelf wel

Groeien, bloeien, openbloeien, rijpen, overrijp, rot slash dood. Grof gesteld, het verloop van ons leven. Als kind leef je tijdloos. Ik toch. Niet bewust, zorgeloos en vol vertrouwen. Ineens ben je dan 16 of zelfs 17. Je voelt je voor het eerst vrouw. Mooi, sterk en tegelijk kwetsbaar. Je denkt dat dit altijd zo zal zijn. Je kijkt in de spiegel; strak velletje, blozende wangen, lange haren en een stralende lach. Meisjes zijn vrouwen. Vrouwen van veertig zijn oud en zullen altijd veertig zijn, als je zeventien bent.

Jonge vrouwen, oude vrouwen. Een zucht in de tijd, een dwarrelend blad. Maar voor je het weet ben je 30. Paniek. De lange haren gekortwiekt, hier en daar nog een wilde over. Die bewaar je voor je midlife crisis. Je eerste grijze. Je trekt ‘m weg, het onvermijdelijke negerend. Je voelt je wel honderd, maar dit negeer je ook. Het boek der jeugd sluit zich. Een nieuw hoofdstuk. Wie ben ik, wat wil ik, wie houdt van me? De zelfhulpboeken, de onvermijdelijke zelfontplooiing, de carrière, de wél of géén kids. Je gaat naar de veertig. Gescheiden of vastberaden gelukkig te zijn. Je bent nog mooi, rijper, rustiger. Je spiegelbeeld is zachter. Rimpeltjes zijn lachrimpeltjes. Toch? Of is de reis van je huid naar het zuiden, begonnen?

De rollercoaster naar de dood.  Iedereen stapt in. Het is niet van te kiezen, ’t is van te moeten. Aftakelen doe je slechts fysiek, zegt men. Tussen de oren wordt het mooier. Rijker, rustiger, berustend. Of was dat pas na de middlife-dinges? Ik weet het niet. Ik doe verwoede pogingen tot mediteren, soms jog ik een paar keer, daarbij ga ik op géén weegschaal meer staan, en vergeet steevast m’n verjaardag.

Vindt hij me nog net zo mooi als toen? Wordt inhoud echt belangrijker dan een strak vel?  Je bent 50… Blijven dromen, niet panikeren. Oud word je vanzelf. En dan is er goed nieuws! Er zijn nog keuzes op je 80ste: confituur of kaas op je brood…

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑